Eurozone: ‘Duitse’ stabiliteit heeft geen toekomst meer
12 september 2011
Frankfurter Allgemeine Zeitung
Frankfurt
Het ontslag van Jürgen Stark, hoofdeconoom van de Europese Centrale Bank, doet Duitsland de ogen openen: het model van monetaire en financiële discipline waar Duitsland altijd voor stond, is niet meer geschikt in deze crisistijd, zo valt te lezen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung.
Instellingen zijn traag. Zij leven van de routine van ingesleten patronen. Dat geeft vertrouwen in de resultaten van hun handelingen. Ze haten ongewisheid en kunnen zich slechts moeizaam aan veranderende omstandigheden aanpassen. Dikwijls worden er dan twijfels geuit over hun bestaansrecht. Waarom bestaan we eigenlijk? Ook Jürgen Stark, de afgelopen vrijdag teruggetreden hoofdeconoom van de Europese Centrale Bank (ECB), heeft zich dit afgevraagd.
De ECB gold altijd als een legitiem kind van de Duitse Bundesbank, die slechts moest zorgen voor een stabiel monetair systeem. Wat Stark ervan vindt, als de centrale bank op grote schaal staatsobligaties van landen met hoge schulden opkoopt, is duidelijk. “In de huidige omstandigheden is er steeds van uitgegaan, dat de positieve vertrouwenseffecten van een solide financieel beleid aanzienlijk zouden zijn, wat door case studies wordt bevestigd: ambitieuze aanpassingsprogramma's gaan al na korte tijd met positieve groei-effecten gepaard.” Daarmee bedoelt Stark 'sparen' en verder niets.
In de wereldeconomie dreigt een forse brand
In deze optiek is het financiële stelsel niets anders dan de monetaire pendant van de reële economie. De burgers sparen en de ondernemingen investeren. Onder deze voorwaarden zou de vermindering van de staatsuitgaven tot langdurige positieve effecten moeten leiden. Maar leven we nog in deze wereld? In Griekenland gebeurt iets anders. De economische kringloop hangt van de reëel beschikbare inkomens en de investeringen af, of die nu van de staat of van de ondernemingen komen. Als zij allemaal tegelijkertijd gaan bezuinigen, raakt de economie in een deflatiespiraal. De Grieken worden armer en blijven toch – of juist daarom – in de schulden zitten. Griekenland is geen uitzondering meer: in de eurozone en in de wereldeconomie dreigt een forse brand uit te breken. Iedereen probeert zich aan te passen, zoals Stark verlangt. Maar waaraan eigenlijk? Is er sprake van nieuwe technologieën of van in crisis verkerende grote bedrijven, bijvoorbeeld in de auto- of staalindustrie? Is China nu pas oppermachtig geworden als concurrent? Niet bepaald.
Staatsobligaties, de allerlaatste zeepbel
Het probleem bestaat niet uit veranderingen in de reële economie, maar uit de poging om de afgelopen vijftien jaar in het financiële systeem opgestapelde schulden af te lossen. Intussen zijn we daarmee bij de staatsobligaties aangekomen, de allerlaatste zeepbel in dit dichtgeslibd systeem. Staten kunnen slechts op één voorwaarde hun schulden verminderen: als zij niet proberen op kosten van het hier en nu de schulden van het verleden af te betalen. Oude schulden worden dan namelijk altijd door nieuwe vervangen. De vermindering van de schuldenlast is alleen maar mogelijk, als de staat in een fase van groei minder uitgeeft dan mogelijk zou zijn. Precies op dit punt wringt de schoen: Jürgen Stark wil de consumptie uit het verleden – d.w.z. de toen opgebouwde schulden – uit de consumptie van vandaag betalen.
Helaas is Griekenland niet het enige probleemgeval. Momenteel verkeren alle westerse landen in een crisis of staan ze daar vlak vóór. Als nu alle staten tegelijkertijd de broekriem aanhalen, zullen ze allemaal in een vergelijkbare toestand terechtkomen: stijgende uitgaven door bijvoorbeeld de toenemende werkloosheid, dalende belastinginkomsten, mislukte investeringen. Het hele crisisprogramma. Maar waarom doen we dat? Niet om een of andere structuuraanpassing in de reële economie door te voeren, maar omdat onder meer Jürgen Stark heeft ontdekt, dat de schuldenlast veel te hoog is en wij die moeten terugdringen.
Proces van zelfvernietiging vreet zich een weg
Deze schuldenvermindering leidt echter tot niets: geen enkele cent wordt opnieuw geïnvesteerd. Ondernemingen investeren namelijk alleen dan, wanneer zij winstkansen zien of als tijdens een crisis de staat in de plaats van deze investeerders treedt. Maar de staat mag niet investeren, hij moet consolideren.
Dit proces van zelfvernietiging vreet zich uiteindelijk een weg door de hele economie. Zonder vertrouwen stort het hele systeem in elkaar. Dat is geen fraai vooruitzicht. Maar wat willen Jürgen Stark en met hem vele andere Duitsers? Een ECB, die zijn bestaansrecht ontleent aan iets dat al lang geleden verloren is gegaan: door stabiliteitsbeleid het bankroet van staten onmogelijk maken. Het is duidelijk dat dit niet goed kan gaan. Deze mensen leven in de schijnwereld van een lang vervlogen tijd. Daarnaast kunnen alleen nog de Duitsers als grootste economie het vertrouwen in het Europese handelingsvermogen zeker stellen. Een bankroet Griekenland zou alleen mogelijk zijn, als tegelijkertijd wordt verzekerd dat een dergelijk lot voor de rest van Europa niet te verwachten is. Maar dat is niet waarschijnlijk: de Duitsers zijn daar eenvoudigweg niet vastberaden genoeg voor. Zij geloven liever in het bestaansrecht van een instelling die haar bestaansrecht allang kwijt is. Het was voor de Duitsers altijd al moeilijk zich aan veranderende omstandigheden aan te passen.