Turkije: Het gras lijkt minder groen bij de EU
2 maart 2011
Frankfurter Rundschau
Frankfurt

Premier Erdogan in het Turkse parlement in Ankara.
Eind februari was de Turkse premier op bezoek in Duitsland, waar hij het toenemende zelfvertrouwen van zijn land etaleerde. Turkije kent een sterke groei en wordt als voorbeeld gezien voor de Arabische landen. Het heeft Europa niet meer zo nodig als voorheen, al streeft het nog wel naar het EU-lidmaatschap.
Recep Tayyip Erdogan presenteert zich als de minister-president van alle Turken, zelfs van de Turken van de tweede generatie die de Duitse nationaliteit bezitten. In die hoedanigheid hield hij op 27 februari in Düsseldorf een toespraak voor honderdduizend immigranten van Turkse origine. Tijdens een soortgelijke massabijeenkomst drie jaar geleden in Keulen had de premier voor een controverse gezorgd toen hij "assimilatie" een "misdaad tegen de menselijkheid" noemde. In Düsseldorf gebruikte hij dezelfde bewoordingen, maar hij gaf er een toelichting bij: "Ik zeg ja tegen integratie."
Tijdens zijn uitstapje in Duitsland gaf de Turkse premier er echter blijk van dat hij met een selectieve blik naar de werkelijkheid kijkt. Niemand mag de rechten van minderheden negeren, zei hij op strenge toon; de Koerden in Turkije zullen zich afvragen waarom dat niet voor hen geldt. Iedereen heeft het recht zijn geloof te beleven, verklaarde hij; een recht dat echter niet wordt toegekend aan de Turkse christenen. Erdogan verweet de westerse mogendheden te zwijgen over de situatie in Tunesië, Egypte en Libië; dezelfde Erdogan die weigert sancties aan het regime van Khadaffi op te leggen wegens de economische belangen van Turkije.
Met het visumvraagstuk oefent Turkije druk uit op de EU
De Turkse premier denkt zich zulke tegenstrijdigheden te kunnen veroorloven. Turkije wordt steeds zelfbewuster. Brussel ondervindt dat momenteel aan den lijve. Na lange en moeizame onderhandelingen hadden EU-diplomaten met Ankara een akkoord bereikt op basis waarvan Turkije illegale immigranten die via zijn grondgebied de EU binnenkwamen, zou terugnemen. Maar nu verklaart Ankara dat Turkije dit akkoord niet zal ondertekenen of toepassen, tenzij de Europese Unie het verplichte visum voor Turken afschaft.
Daar komt nog bij dat Turkije haar grenzen heeft opengesteld: sinds Syriërs, Jordaniërs, Marokkanen en Algerijnen zonder visum mogen binnenkomen, arriveren dagelijks honderden illegale migranten uit deze landen via Turkije in Griekenland. Op deze wijze oefent Ankara wat betreft het visumvraagstuk druk uit op de EU.
Turkije kruipt niet langer in het stof, maar paradeert
Turkije kruipt niet langer in het stof voor de Europeanen, het paradeert trots rond. Dit nieuwe zelfbewustzijn is te danken aan het feit dat Turkije bezig is zich tot een economische machtsfactor te ontwikkelen. Nog maar tien jaar geleden was het land praktisch bankroet. Tegenwoordig bekleedt het een opmerkelijke zeventiende plaats in de ranglijst van grote economische mogendheden. Als het deel zou uitmaken van de EU, zou het zelfs op de zevende plaats staan.
Wie economisch sterk is, legt ook politiek gezien gewicht in de schaal. Turkije gaat steeds meer een rol van betekenis in de regio spelen. Als afstammelingen van de Ottomanen, die eeuwenlang over de regio hebben geheerst, wekken de Turken niet uitsluitend sympathie in de Arabische wereld. Maar veel Arabieren zien Turkije momenteel als voorbeeld – niet alleen vanwege zijn economische expansie maar vooral omdat dit land het bewijs vormt dat islam en democratie niet onverenigbaar zijn, al is de Turkse democratie in Europese ogen niet volmaakt.
"Wij vragen niet langer nederig om een gunst"
Nu Turkije de blik steeds meer naar het oosten richt, vragen velen zich af wat de gevolgen daarvan zijn voor de Europese toekomst van het land. Zeker, Erdogan en zijn minister Ahmet Davutoglu van Buitenlandse Zaken roepen om het hardst dat toetreding tot de EU nog altijd prioriteit heeft. Maar dat klinkt haast als een verplichte oefening. Sinds Turkije een halve eeuw geleden voor het eerst aan de deur van de EU klopte, is het land veranderd.
"Wij vragen niet langer nederig om een gunst", zei Erdogan onlangs. Inwendig keren veel Turken zich van Europa af: slechts 38 procent is voorstander van toetreding tot de EU, terwijl dat drie jaar geleden nog 66 procent was. Schrijver Orhan Pamuk meent dat "de droom van een sprookjesachtig Europa dat een tijdlang zo krachtig was dat zelfs de meest anti-europese denkers en politici er stiekem in geloofden vandaag de dag is opgelost" – misschien omdat Turkije niet meer zo arm is als vroeger; misschien ook omdat het niet langer door een leger wordt geregeerd, maar is uitgegroeid tot een vitale burgermaatschappij. Het Turkije van Erdogan gaat steeds meer zijn eigen weg. En die leidt niet naar de Europese Unie, zo lijkt het.