Turks referendum: Erdogan draagt Atatürk ten grave
13 september 2010
Zaman
Istanboel

Premier Recep Tayyip Erdogan tijdens een persconferentie in Ankara.
Met hun stem vóór de ingrijpende wijziging van de grondwet, die de regering van Recep Tayyip Erdogan wenste, hebben de Turken hun goede wil getoond om hun land te moderniseren. Bovendien is Turkije weer een stukje richting Europa, opgeschoven, hoewel dat aspect niet centraal stond bij de verkiezingscampagne.
In een recent artikel vroeg Fadi Hakura, Turkije-deskundige bij het Britse Chatham House, het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen in Londen, zich al af hoe het zat met een diep verankerd idee dat “Turkije zonder Europa geen liberale democratie zou kunnen noch willen worden.” Volgens hem was het zo dat “terwijl het proces van toetreding tot de Europese Unie zich in een impasse bevindt, de Turkse samenleving zich ontwikkelt naar meer democratie, scheiding van kerk en staat en een sociaal-economische opleving beleeft. Europa begaat een ernstige vergissing door Ankara af te wijzen. Turkije is een oprecht baken van hoop en fungeert voor vele landen, moslim en niet-moslimstaten, als model. Het land bouwt op eigen kracht aan zijn toekomst. Een Turkije dat minder afhankelijk is van de Europese Unie zou eindelijk de mythe kunnen ontzenuwen dat Europa het enige instrument is waarmee vaart gezet kan worden achter de liberalisering van Turkije en in zijn kielzog van de Arabische landen in het Midden-Oosten.” Heeft Hakura gelijk? Eén ding staat vast: de modernisering van het Ottomaanse rijk heeft grotendeels het Europese model gevolgd. Destijds stond modernisering gelijk aan verwestersing. Bij de oprichting van de Turkse republiek heeft men zich uitgebreid laten leiden door de autoritaire moderniseringsmodellen in Europa (Duitsland, Italië en de Sovjet-Unie). Turkije heeft een voorbeeld genomen aan de Westerse democratieën aan het eind van de Tweede Wereldoorlog en aan de Europese Unie na de Koude Oorlog.
Negatieve signalen
De kandidatuur van Turkije voor de toetreding tot de Europese Unie in 1999 heeft niet alleen geleid tot liberalisering van de Turkse islamitische stroming, maar is tevens vertaald in de opkomst van een brede, pro-Europese coalitie, waar zelfs de strijdkrachten deel van uitmaakten. Tussen 2001 en 2005 markeerden de wijzigingen van wetten en de grondwet het begin van een overgang – van de bureaucratische betutteling door het regime naar het accepteren van Europese democratische standaarden – en werden aanvaard door zowel de regerende AK-partij van premier Erdogan als door de oppositiepartij (CHP). De negatieve signalen die na 2005 vanuit de EU werden uitgezonden, en dan vooral de bewering van de Franse regering dat Turkije niet bij Europa hoorde, hebben het enthousiasme onder de bevolking vóór toetreding op grote schaal doen bekoelen. Het leger en de oppositiepartijen, onder leiding van de 'sociaaldemocratische’ CHP, zijn zich steeds meer gaan verzetten tegen de hervormingen die de EU oplegde. De ‘soft power’ van de EU ten opzichte van Turkije, of anders gezegd, haar vermogen om als model te fungeren, is aanzienlijk geslonken, om niet te zeggen volledig verdwenen.
Tweede reuzenstap
Gisteren heeft Turkije in een referendum een serie grondwetswijzigingen aangenomen, waarmee het land een tweede reuzenstap zet (na de hervormingen in de periode 2001-2005) naar de liberale democratie. De in deze amendementen beoogde hervormingen komen overeen met de eisen van de Europese Unie met het oog op toetreding. De Europese instellingen onder leiding van de Commissie hebben hun steun toegezegd aan deze hervormingen, die volgens hen “in de goede richting gaan.” De aanmoedigingen van de Europese Unie lijken echter weinig of zelfs helemaal geen invloed te hebben gehad op de campagne. Alle belangrijke oppositiepartijen zijn alle mogelijke middelen blijven aanwenden tegen de wijzigingsvoorstellen van de regering. De nieuwe partijleider van de CHP, Kemal Kiliçdaroglu ging zelfs zover dat hij beweerde dat de Europese hoge ambtenaren door de AK-partij waren omgekocht om diens hervormingen te steunen. Bepaalde stemmen binnen de oppositie beweerden bovendien dat deze amendementen moesten worden afgewezen om te voorkomen dat “Washington en Brussel Turkije zouden gaan besturen.” De aanhangers die vóór hebben gestemd, onder aanvoering van de regerende AK-partij, hadden het nauwelijks over het toetredingsproces om hun hervorming te verdedigen. Zij legden het accent liever op andere noodzakelijkheden, zoals het verdwijnen van de bureaucratische betutteling door het regime, het einde aan de militaire staatsgrepen, de vervanging van de militaire grondwet door een grondwet van het volk en het voortzetten van de democratisering met het oog op de economische ontwikkeling.